4

Ik had er in zijn geval maar bijgevoegd, dat de koopers op vendutie stomdronken worden gemaakt en dat vöör het eten emmers vol bitter werden verorberd, dan was het spei in eens volmaakt geweest. Eenmaal ä la Münchhausen doorslaande, moet men niet halverwege blijven steken.

De aan zijn landaard dikwerf toegeschreven fout van het verkeerd hooren der medeklinkers heeft ook hij niet geheel weten te vermjjden. Zoo spreekt hij o. a. blz. 102 van Toean djari Unatang in de plaats van tjari, op blz. 107 van boeroeng holet voor b. polet, op blz. 203 van oelar darabang voor oe. terbang, op blz. 235 van embong voor empong, enz., doch daar dit een haast onoverkomelijk struikelblok schijnt te wezen, bestaat er geen reden hem zulks te hoog aan te rekenen. Iets anders is, dat eenige meerdere voor- zichtigheid ten aanzien van zuiver ethnologische mededeelingen, als voor hem natuurlijkerwijs min of meer vreemd, niet geheel overbodig zou ge­weest zijn).

Zoo wordt, op Plaat V. fig. 30, onder den foutieven naam van tikan gaboes een voorwerp afgebeeld en blz. 116 blijkbaar als specifiek Halmahe- rasch beschreven, dat niets anders is dan de priem, waarmede bij het gedtboes of gadoes in den geheelen archipel Mohamedanen zieh onder den invloed van geestvervoering wenden toebrengen en dat men den vreem- deling heeft willen verduidelijken door de omschrijving van tikam gadoes en derhalve, als uit den vreemde ingevoerd, volstrekt geen locale waarde heeft.

Zoo heeft hij bjj de opsomming van allerlei op Halmahera gebruikte voonverpen over het hoofd gezien, dat deze nagenoeg alle in Deel VIII der 4 e volgreeks van de bijdragen v. h. Kon Instituut voor de taal-, land- en volkenkunde van N.-I. reeds door Campen zjjn behandeld en had hij o. a. het muziekinstrument, dat op Plaat IV, fig. 24 is afgebeeld, en volgens hem (blz. 139)nicht von Halmahera bekannt zu sein scheint, op de door C. aan zijn arbeid toegevoegde platen kunnen terugvinden.

Zoo is hij geheel misleid door de hem gegeven verklaring van eene maansverduistering, als veroorzaakt door matahari makan boelan (blz. 142), dat geheel in strjjd is met de daaromtrent bij Inländers heerschende tradities, legenden of overleveringen en met de in het Maleisch der Molukken ge- bruikelijke uitdrukking boelan makaraoe, als verkorting van b. makan rahoe, voldoende wordt weerlegd.

Zoo waagt hij zieh aan eene instemming met de door A. B. Meyer ge­geven verklaring van het ontstaan van het woord Alfoeren, welke hemdie plausibelste zu sein scheint. Deze heeft n.l. in een onbezonnen oogenblik de zonderlinge gevolgtrekking gemaakt, dat die naam afkomstig zou zijn van den stam der Arfoe in Nieuw-Gumea en van daar uit westwaarts ver- breid. Wanneer men in aanmerking neemt, dat die Arfoe niet eens aan de kust wonen; dat wegens het karakter der kuststreek nabij hunne woon-

) De kwestie der schrijfwijze van geographische namen zal ik maar laten rüsten. Evemvel is het mij opgevallen, dat hij de beide eilanden aan den oosthoek van het zuidoostelijk schiereiland nog aangeeft met de op vele kaarten voorkomende zon­derlinge benaming van Shampi-eilanden (blz. 93), terwijl toch genoegzaam bekend is, dat de inboorlingen het grootste Sajafi en het kleinste Loewö noemen.